Terug naar de quizgalerij
Taal Leerjaar 3–4 (8–10 jaar)

Verbs

Gedeeld door alana 2 uur geleden 25 V 0 keer overgenomen
Meld je gratis aan om deze quiz over te nemen

Voorbeeld van de vragen

Je ziet de eerste 5 van 25 vragen — meld je gratis aan om de hele quiz over te nemen en met je klas te spelen.

1

Which word in this sentence is a verb? 'The dog runs quickly.'

A The
B runs
C dog
D quickly
2

Which word in this sentence is a verb? 'She is happy.'

A None of the above
B is
C happy
D She
3

Which sentence uses the most powerful verb?

A The cat moved across the room.
B The cat crept across the room.
C The cat walked across the room.
D The cat went across the room.
4

Which verb best fits the sentence? 'The baby ____ softly in her crib.'

A cries
B plays
C eats
D sleeps
5

Which word is a verb?

A beautifully
B beautify
C beautiful
D beauty

Wil je deze kant-en-klare quizzen gebruiken?

Meld je gratis aan bij SparkMyClass, neem quizzen met één klik over en maak je eigen interactieve quizspellen.

Gratis aanmelden

Meer gedeelde quizzen